6.
Een dof geklag, een half gesmoord gezucht,
Door vreugde en rouw ten boezem uitgedreven,
Een zacht gesnik, gaat murmlend door de lucht,
Om smeekend tot den Heiland op te zweven.
Zoo ruischt het woud, als 't windtjen in zijn vlucht
De takken schudt en ieder blad doet beven:
Zoo kermt de zee, wanneer haar bruisend nat
De klippen kust, of tegen 't strand verspat.