31.
Nu houdt hij stand, maar al zijn spieren beven
Van spijt en dolle woede. Hij gelooft
Een schandvlek op zijn glorie te zien kleven,
Nu de eerste kans hem dus wordt weggeroofd.
Zijn vriend terwijl, als door een storm gedreven,
Treft met zijn lans 't gehelmde reuzenhoofd:
Maar voelt met één zijn eigen beuklaar breken
En 's vijands punt dwars door zijn halsberg steken.