53.
Hij voegde er bij, dat slechts een haastig vlieden
Mij van den strik des jammers kon ontslaan;
En daar hij geen der andere Edellieden
Dorst polsen, bood hij-zelf zijn bijstand aan.
Zijn eerlijk hart wist zóóveel troost te bieden,
Dat straks mijn vrees niet langer kon weêrstaan:
Zoo zou dan hij mijn stille vlucht geleiden,
En ik - van voogd, en land, en erfgoed, scheiden!