11.
Buljon veracht de krachtloze Arabieren;
Hij vreest ons niet, hij tast niet naar zijn zwaard:
Een volk, gewoon te stelen, te pilgieren,
Te vluchten, schijnt zijn waakzaamheid niet waard!
Maar heerlijk zal uw woede zegevieren:
Heel 't slapend kamp ligt weêrloos over de aard! ....’
Zoo spreekt ze en blaast haar vlammen, die verslinden,
Zijn boezem in, en mengt ze met de winden.