78.
Hij spreekt, en proeft zijn felle degensneê
Op Algazel, en klieft zijn borst in stukken;
En snijdt aldus het andwoord af, waarmeê
De Heiden zijn verachting uit wil drukken:
Zijn oog verstart; een onuitspreeklijk wee
Beeft hem door 't stollend bloed en doet hem bukken;
Hij valt - maar met het doodschuim op den mond,
Slaat hij den tand nog woedende in den grond.