73.
'k Heb, naar de wet van tucht en goede zeden,
Hier reeds te lang met mijn vaarwel gedraald:
Waarheen dan nu? Wie dekt mijn zwakke schreden?
Wie bergt mij waar geen Dwingland me achterhaalt?
Helaas! daar is geen schuilhoek hier beneden,
Dien hij niet vindt. Waartoe dan rondgedwaald?
De dood genaakt - ik kan hem niet ontspringen:
Zoo zal ik-zelf zijn pijl me in 't harte wringen! ....’