48.
Toen nam mijn voogd een sombre houding aan:
'k Ontdekte klaar wat furiën hem dreven.
Al 't lijden, dat mijn ziel zou ondergaan,
Stond dreigend in zijn vlammend oog geschreven.
't Was sedert met mijn oude rust gedaan:
'k Had droomen, en zag schrikgestalten zweven;
Een klemmende angst woog loodzwaar op mijn hart,
Het voorgevoel van mijn aanstaande smart!