55.
Dat hoofd werd in een purpren doek gebonden,
Gehangen aan des ruiters zadelknop.
Zooveel gestalte en wapendosch verkondden,
Was 't Christenvolk....” - Wij beurden 't lichaam op,
En kleedden 't uit. Het was bedekt met wonden.
't Vermoeden reeds voerde onze smart ten top.
Den wapendosch behield ik bij mij-zelven;
Door de anderen liet ik een doodskuil delven.