65.
Haar denkkracht is, zoo lang ze waakt, gebroken;
En wee als zij de brandende oogen sloot!
Dan teelt de droom de afgrijselijkste spoken
En maakt den slaap benaauwder dan den dood.
Zij ziet haar vriend bebloed, gewond, doorstoken:
Zij hoort zijn stem, die hulp roept in den nood -
En vlucht in 't eind het schrikgezicht daarhenen,
Dan rijst ze, en vindt heur boezem nat van 't weenen.