30.
Daar twijfelt hij, of achter de ijzren poort
Van zulk een burcht geen hinderlaag kan loeren;
Maar hij verraadt zijn argwaan met geen woord,
Geen blik! Hem kan geen doodsgevaar ontroeren.
Hij voelt zich door zijn eigen kracht geschoord,
Waar 't toeval of zijn wil hem heen moog' voeren!
Maar nu hij reeds een kamp heeft toegezegd,
Kan hij niet wenschen naar een nieuw gevecht.