62.
Zij roept vergeefs de blosjens op 't gelaat,
De vonk in 't oog, de kuiltjens in de wangen!
De vogel, op het veld gevoed, versmaadt
De spijs waarmeê de jager hem wil vangen:
Zoo blikt Buljon, van 's waerelds zoet verzaad,
Ten hemel op in heilig zielsverlangen:
En hoe de Min heur lokaas strooit en fluit,
Naar God-alleen slaat hij de vleuglen uit!