56.
Hij trede - als hij dat gunstbewijs begeert -
Den Raad alléén en ongebonden binnen!
Maar als hij in zijn hoogmoed mij trotseert,
(Ik ken te wel zijn ongetemde zinnen!)
Zie, dat gij een hardnekkigheid bezweert,
Die eindlijk mijn geduld zou overwinnen,
Die tergen zou tot al de strengheid, die
Verdiend is door zoo dwaze rebellie!’ -