42.
Zij dringt door 't volk, dat rond de houtmijt zwermt:
Ze ontwaart het paar, ter vuurdood uitgelezen.
De Jonkvrouw zwijgt; de Jongling schreit en kermt:
De sterkste schijnt de zwakkere te wezen.
Toch is 't om haar, die, teêr en onbeschermd,
Zijn noodlot deelt, dat 's Jonglings klachten rezen.
Haar oog blikt op naar 's hemels hoogen throon:
Reeds vóór haar dood is zij aan 't stof ontvloôn.