38.
Hij zwijgt. De Heiden bijt van ongeduld
Zijn lippen stuk en schuimbekt. Hij wil spreken,
Maar brengt verwarde klanken voort. Hij brult,
Gelijk een leeuw die 's jagers pijl voelt steken.
Neen, even als de donders, die, gehuld
In solfer, uit den zwangren hemel breken,
Zóó bersten hem in ratelend geluid
De woorden ook d' ontvlamden gorgel uit.