64.
Maar als zij nu de gantsche toedracht hoort,
Hoort dat de kamp haast nogmaals aan zal vangen,
Daar wil haar 't bloed niet meer door de aadren voort,
Maar stolt tot ijs, bij 't hevigst boezemprangen;
Daar wordt haar stem in zucht bij zucht gesmoord,
Daar bigglen haar de tranen langs de wangen,
En bleek, ontdaan, met radelozen blik,
Schijnt zij de kille beeldzuil van den Schrik.