17.
De faam terwijl verkondigt aller wegen
Wat dreigend lot der Christnen doodsklok luidt.
De Jonkvrouw, zoo manhaftig als verlegen,
Ziet biddend naar een reddingsmiddel uit.
Haar spoort de moed, haar houdt de schaamte tegen,
Bij 't vormen van haar schitterend besluit,
Tot schaamte en moed, versmolten in elkandren,
't Vermetel Kind in schuchtren Held verandren.