27.
De schoone Armide, op haar aanvalligheden,
Haar jeugd en rang en geestesgaven trotsch,
Beklimt, als de avondschaduwen verbreeden,
In stilte en onverzeld het wachtend ros.
Gelederen, die zich in 't ijzer kleeden,
Wil zij verslaan in teedren vrouwendosch,
Een valsch gerucht, behendig rondgedragen,
Misleidt het volk bij onbescheiden vragen.