27.
Intusschen 't licht scheen naderbij te zweven,
En, met het licht, een zachte fluistertoon.
Nu is het naast mijn zijde! Ik open even
Het pinkend oog, des lichts nog ongewoon:
Daar staan er twee, van fakkelgloed omgeven,
In lange dracht; en 'k hoor een stem: “Mijn Zoon!
Bouw op den Heer! Zijn arm beschermt de vroomen,
En haast zich hun gebeden vóór te komen!”