35.
O blijde dood, mij gunstiger dan 't leven!
O zoete pijn, nooit duur genoeg gekocht!
Zoo maar mijn borst op uwen boezem kleven,
Mijn veege mond uw lippen kussen mocht!
Zoo beider ziel klapwiekende op mocht zweven,
Zich menglende in den laatsten ademtocht!’....
Zoo klaagt hij, met een stillen traan in de oogen,
En zij - herneemt, tot teêrheid toe bewogen: