14.
De Koning spreekt: - ‘'k Zag liever naderhand
Uw woede en zwaard zich tot mijn bijstand wijden
Maar niettemin, 'k weêrhoud U niet, Argant,
Als ge een van 's vijands hoofden wilt bestrijden.’
De woestaart gaat, en wenkt een krijgsgezant:
- ‘Ik heb een last: zij kan geen uitstel lijden:
Snel heen naar 't kamp, en breng Buljon dit woord,
Maar zóó, dat elk dier lage Franken 't hoort: