21.
De Arabiërs, ontdekt, slaan hun cymbalen,
En daavrend dreunt de kopren klank door 't kamp.
In 't schreeuwen, dat de hemelen herhalen,
Vermengt zich paardgebriesch en hoefgestamp.
't Gebergte loeit, ook loeien alle dalen,
Heel de afgrond loeit, en ziet! een rosse damp,
Een fakkelvlam! Dat is Alektoos teeken
Voor Aladijn, om ijlings op te breken!