56.
't Was Aronts burcht (want Aront heette hij,
Wiens deernis mij zoo treffend was gebleken.)
Maar naauwlijks zag de ontmenschte Dwingland mij
Door deez' mijn gids zijn moordend net ontweken,
Of blakend van ontembre razernij,
Zocht hij op ons zijn eigen schuld te wreken,
En klaagde ons van den zelfden gruwel aan,
Dien hij aan mij, onnoozle, had begaan!