67.
Terwijl hij dus, verzonken in gedachten,
Ter aarde staart, en alles weegt en wikt,
Bespiedt zij hem met ingespannen krachten
En vorschend oog, dat in zijn ziele blikt.
Zóó lang laat zich geen gùnstig andwoord wachten:
Zij ziet het in, en vreest het ergste, en snikt....
Ook weigert hij de gunst die zij komt vragen:
Schoon heuscher nooit een beê werd afgeslagen.