21.
‘Gij Strijdren Gods! Gij uitverkoren scharen!
Die inrukt op de razernij der hel:
Wie God behield in 't barnen der gevaren,
Ter zee, te land, in 't bloedig oorlogsspel,
Zóó, dat gij reeds in weinig levensjaren
De kniën boogt van menigen rebel,
En overal in de overwonnen rijken,
In Christus' naam, de Kruisbanier doet prijken!