85.
In klanken, zoet als malsche harpakkoorden,
Looft zij de gunst, die zij verworven heeft,
Als een die straks de verste waereldoorden
Verbaast, en eeuwig in haar harte leeft.
En blik en wenk voltooien 't spel der woorden,
Wanneer heur stem van teedre ontroering beeft.
Zóó weet zij haar misdadige gepeinzen
In 't lichtkleed eener Engelin te ontveinzen.