39.
Want daar, waar Swen in 't stof zich nederstrekte,
Ontwaart mijn oog een prachtig monument,
Dat, breed en hoog, 't gezegend lijk bedekte.
Hoe 't rees, en door wat kunst, is me onbekend.
Een inschrift, met den naam mijns Meesters, wekte
Tot eerbied op voor zijn roemruchtig end.
Verbaasd, geboeid, als door onzichtbre koorden,
Beschouwde ik nú het marmer, dán de woorden!