24.
De koene Jongling valt - o bitter lot! -
En niemant, ach! der onzen kan hem wreken.
Getuig het, gij, mijns Meesters overschot!
Uw lijkgebeent' bewege, uw schim moog' spreken!
'k Was op mijn bloed niet gierig, 'k heb het rot
Der woestaards niet ontzien, geen slag ontweken!
De hemel-zelf hield zeker tot mijn smart
Den dood terug, want 'k heb dien uitgetart!