9.
En Solyman - daar ziet hij voor zijn oogen
Een grijzaard staan, gerimpeld en stokoud,
Aâmechtig op een krommen staf gebogen,
Die 't wagglend lijf met moeite staande houdt.
De Sultan roept, vertorend opgevlogen,
- ‘Wie zijt gij dan, gij spooksel! dat zoo stout
De rust verstoort, die arme zwervers smaken?
Wat hebt gij met mijn schande of roem te maken? ....’