34.
En 't gantsche heir herhaalt de jubelklank,
Eer nog Buljon het kamp is ingetreden:
Hij komt, in 't oog een heilge vreugdesprank,
Met kalm gelaat en statelijke schreden;
En brengt alom zijn onweêrhouden dank
Voor zooveel hulde en duurgezworen eeden,
En dagvaart hen bij 't eerste morgengraauw
In 't naaste veld ten grooten wapenschouw.