77.
Wel zoudt gij hem als 't wonderkind herkennen
Der vluchtigste Zefieren, als gij zaagt
Hoe snel hij rent, en, onder 't aâmloos rennen,
Geen grasjen kreukt, geen stofjen voor zich jaagt,
Zich wendt en keert als de aadlaar op zijn pennen,
En, onvermoeid, geen droppel laafnis vraagt.
De fiere Graaf, door zulk een ros gedragen,
Springt nu in 't perk, den blik omhoog geslagen.