25.
Ik, de éénige die nog mocht ademhalen,
Lag roerloos bij de ontzielde helden neêr;
Niets kan ik van den vijand meer verhalen:
Ik hoorde en zag en voelde en wist niets meer -
Een lijkgewaad scheen op mijn hart te dalen!
Maar eindlijk, ja! mijn zinnen keerden weêr,
En 'k zag, met matten blik, een lichtgeflonker
Weêrflikkeren door 't middernachtlijk donker.