15.
Ha, nimmermeer! .... Hij is op nieuw ontglommen,
De moed, die in onze aadren heeft gebruist,
Toen wij verwoed de hemelburcht beklommen,
Met dreigend staal en vlammen in de vuist.
De neêrlaag, ja, verpletterde onze drommen,
Maar 't doel bleef grootsch, de stoutheid onvergruisd!
Hem schonk het lot een roemloze viktorie,
Ons, helden! ons, onbuigbren! bleef de glorie!