31.
Hij-zelf wil Swen een eeretombe stichten,
Dien moed tot loon, die zooveel groots volbracht!
Een grafnaald, die van wanklen weet noch zwichten,
Bewonderd door het verste nageslacht!
Maar eerst, blik op naar gindsche Hemellichten!
Beschouw die ster, in volle zonnepracht!
Zij wijst ons met haar heldre tintelvonken
Den plek aan, waar de Held is neêrgezonken!”