85.
Dit scherpt zijn angst, en wekt zijn wilden toren,
Die, lang betemd, toch niet heeft uitgewoed.
Het oude vuur doet weêr die oogen gloren,
En meer dan ooit smacht nu die borst naar bloed!
Zoo zwelt de slang, in kille sneeuw bevroren,
Op nieuw van gif bij d' eersten zonnegloed;
Zoo breekt de leeuw, in plotseling ontwaken,
Zijn tralies door met opgesparde kaken.