14.
Hem prijst de grijze, en daar de koele nacht
De pijn verhoogt, zoo zalft hij de kwetsuren
Met balsem, die de felle pijn verzacht,
Het bloeden stelpt, de krachten aan kan vuren.
Maar als hij door Auroraas rozenpracht
Het zonnegoud zijn stralen ziet borduren,
Daar roept hij uit: - ‘'t Is tijd! Het lichtend zwerk
Beschijnt ons pad, en roept ons tot het werk! ....’