75.
Zoo krijscht zijn spot, die, kwetsend voor elks ooren,
Als 't klaatren van een geesselroede snerpt.
Maar Reimont, meer dan iemant, kookt van toren,
Bij 'tgeen Argant zijn broeders tegenwerpt.
Wie temt den moed, wanneer gerechte toren
Zijn angel op den ruwen wetsteen scherpt?
Daar hinnikt hem zijn vurig strijdros tegen,
('t Draagt d' Aadlaars-naam) en - hij is opgestegen!