9.
- ‘Gij, in uw jeugd, de bloem reeds onzer scharen,
Roemruchter dan heel uw roemrucht geslacht!
Wien zullen wij den veldheerstaf bewaren
Van onzen drom? Ik, die geen overmacht
Erken, die noode en om zijn grijze hairen
Alleen, een Dudo hulde heb gebracht,
Ik, Godfrieds Broêr, - zeg! welken medestander
Zal ik als Hoofd erkennen? U, geen ander!