59.
Hij spreekt hun toe: - ‘O, bij dit hart, dat teder
U welkom heet, verhaal ons van uw tocht!
Wat gunstig lot brengt u, verdwaalden, weder,
Juist toen ons heir u 't minste missen mocht?’
De Ridderschaar slaat blozend de oogen neder,
Een smart ter prooi, met schaamte en schand' gekocht;
Tot eindlijk zich de Britsche Prins doet hooren,
Wiens blikken weêr van de oude fierheid gloren: