103.
't Was nacht rondom. De azuren starrendaken
Zijn wolkeloos; de groene heuveltop
Weêrschittert, want het maantjen bij 't ontwaken
Strooit overal heur vloeibren pareldrop.
De jonkvrouw zendt de vlammen die haar blaken,
Al hijgend naar des hemels vlammen op;
Benijdt het veld zijn sprakeloze vrede,
En deelt der stilte al heur geheimen mede.