49.
- ‘'k Heb reeds te lang met opgekropten wrevel
Staan toezien!’ is het andwoord. Als hij spreekt,
Scheurt plotseling de dunne toovernevel
Die hem omringt, gelijk een zeepbel breekt.
De Sultan treedt hervoort, den tijgerknevel
Omhoog, den gloed in 't dreigend oog, en wreekt
Zich eindlijk op zijn lang, gedwongen zwijgen
Met woorden, die als woeste golven stijgen: