35.
De Vader - ach, geen vader meer! - zoo even
Omringd van kroost, nu plotsling kinderloos,
Aanschouwt zijn einde in 't eind der dierbre zeven,
En ziet zijn stam een wisse prooi des doods!
Wat heldenkracht moet in zijn boezem leven,
Na 't vlijmen zelfs des doodelijken stoots,
Dat hij nog aâmt en strijdt! Heeft hij de blikken
Van 't kroost gezien? gehoord hun stervenssnikken?