36.
Wie weet, hoelang die hulp nog toeven zal!
Intusschen blijft de toekomst even duister:
Wie schaft mij raad? wat kan een wissen val
Voorkomen? Spreek' wie spreken kan! Ik luister....’
De Koning zwijgt; gelijk in 't eikendal
Een luchtjen ruischt, zoo zuist een zacht gefluister:
Daar rijst Argant, en even stout als straf
Breekt hij aldus het dof gemurmel af: