80.
De Ridder, die zich op 't gebed ontfermt,
Is aan de dienst des Heeren trouw gebleven.
Die de Onschuld redt, wordt van omhoog beschermd:
De hemel juicht als onderdrukkers sneven!
Al werd de hulp, waarom deez' Weeze kermt,
Door zelfbelang ons niet reeds voorgeschreven,
Nog waar ze plicht: - hij kende onze Orde niet,
Die in 't gevaar een zwakke vrouw verliet.