12.
Maar, waartoe toch vernieuw ik ons verdriet!
Wie onzer kan vergeten wat wij leden?
Wannéér en wáár zoekt ons de Vijand niet
Nog feller op 't gebroken hart te treden?
Doch zingen wij geen klaaglijk jammerlied
Op 't Gistren! Neen: bepalen we ons bij 't Heden!
Ha! merkt gij niet, hoe Hij het gansch Heelal
Dus doende tot Zijn eerdienst dwingen zal?