88.
Hij klimt van 't ros, en trapt het lijk op 't hart,
En scheurt verwoed zijn lillende ingewanden:
Zoo pakt een hond, tot dolheid uitgesard,
Den steenklomp die hem trof, met wilde tanden!
O ijdle troost voor zulk een felle smart,
Gevoelloze aard' baldadig aan te randen! ....
Buljon terwijl, die toornig ommewaart,
Kwist niet vergeefs de slagen van zijn zwaard.