64.
Gedreven door zoo edele begeert',
Verstout hij zich, uw vriendschap af te smeeken:
Want schoon ge uw God op andre wijz' vereert,
Waar Deugd vereent, kan de Eendrachtsband niet breken.
En daar gij nu zijn halsvriend overheert,
Daar ge Aladijn naar staf en kroon wilt steken,
Vóórkomt hij gaarne een grooter krijgsellend,
En maakt door ons zijn meening U bekend!