4.
Zij neemt geen spijs: zij voedt zich met haar smart,
En drenkt zich met de drupplen heurer oogen.
Maar de oudste en trouwste vriend van 't lijdend hart,
De donzen Slaap, komt troostend aangevlogen:
En met zijn floers, dat alle zorgen tart,
Heeft hij weldra heur wimpers overtogen.
Alleen de Min, niet wijkend van heur zij',
Verstoort haar rust in bonte droomkleedij.