28.
Zij scherpten zwaard en gramschap tot den strijd,
Door 't voorbeeld van hun vader aangedreven.
- ‘Op!’ sprak hij, ‘waar die sabel om zich bijt,
Die lafaarts doodt, ons eerlijk zwaard geheven!
Die Heidenfielt, die bekkeneelen splijt,
Doet immers uw aâlouden moed niet beven?
Gij weet, mijn zoons! het schoonste lauwerblad
Is met ons zweet gedoopt, met bloed bespat!’