40.
Daar zwaaien zij hun lansen door de lucht,
Daar leggen ze aan. Voort! voort! De teugels wuiven:
En nu! geen loop, geen sprong, geen vogelvlucht,
Zóó vreeslijk snel, zóó woedend als het stuiven
Dier twee, die met een gierend stormgerucht
Van noord en zuid elkander tegen snuiven.
De speeren spatten splintrend van elkaâr,
En duizend vonken reegnen over 't paar.