8.
Maar jonge Eustaats ziet met verbeten haat
Sofiaas zoon, fier als de leeuw der wouden,
Schoon als Apol, met rozen op 't gelaat,
En oogen die gelijk twee heemlen blaauwden.
Zijn jaloezij neemt sluwe list te baat,
Om hém voor 't minst - kon 't zijn! - terug te houden:
Hij vraagt bij hem een heimelijk gehoor,
En fluistert hem zijn vleitaal dus in 't oor: